Rechtmatig of rechtvaardig

In een vorig blog schreef ik over ethisch handelen, vandaag kom ik tot de conclusie dat het (minstens) onderdeel moet zijn van een tweeluik. Eerder liep ik aan tegen legalisme; het stellen van wetten en regels boven de rechtvaardiging ervan.

Iedereen moet de wet volgen, een ambtenaar ook, maar bij het vaststellen van beleid komt ook interpretatie en invulling kijken. De wet kadert, geeft de geest weer van de wetgever, maar moet meestal nog nadere invulling krijgen. Denk bijv. aan de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en de diverse uitvoeringen hiervan op gemeentelijk niveau. Met alle eigen verordeningen, nadere regels en beleidskaders. En ook die worden weer geïnterpreteerd in ingevuld door de desbetreffende medewerker in bijvoorbeeld het loket of als Wmo-adviseur aan huis. Zoals gezegd is de wet zien als moreel kader zélf al een morele afweging, namelijk: dat het is moreel of ethisch om te handelen volgens de wet. Het idee van ‘de Wet’ als moreel baken is m.i. dan ook simplistisch en kortzichtig.

Daarnaast is er nog het punt van de totalitaire regimes: er zijn verkeerde wetgevers en wetten. In Nederland lijken we er daarmee nog aardig mee weg te komen, toch is de beperkte mate van privacy-bescherming en digitale controle al zeer groot. De overheid loopt hier ver achter de realiteit aan. Moet je op dergelijke systemen en regeringen als mens (en dus ook als ambtenaar; jawel, is ook een mens) niet ook kritisch zijn? Vandaar het eerder benoemde verschil tussen het geheel en de delen. De delen kunnen afzonderlijk ‘neutraal’ zijn, maar als geheel destructief. Zoiets als een administratieve handeling tot registratie, en een trein op weg naar een concentratiekamp. 

Nu moet ik het nu hebben over de keerzijde ervan: het – op basis van wenselijkheid – ontwijken van wettelijke kaders. Bijvoorbeeld een (politiek-)bestuurlijk besluit boven het beleidsjuridische kader stellen kan óók bij bijdragen aan rechtsongelijkheid en willekeur.

Steeds weer valt het me op dat het eigenlijk nergens anders is als bij het groepswerk: de hardste schreeuwer krijgt de meeste aandacht. Krijgt ook vaak het meest voor elkaar. De vraag moet gesteld worden of het het waard is om ergens een rel van te laten maken – want zelf hoef je daar vaak bitter weinig voor te doen. Of dat het beter is om te deëscaleren en water bij de wijn te doen. Dit laatste wordt vaak gebruikt als de remedie, niet beseffend dat de wijn er niet beter op wordt. Het blijft tenslotte symptoombestrijding, de oorzaak zelf wordt niet aangepakt. Het is wachten op een volgende ‘escalatie’.

Maar goed, terug naar het onderwerp. Als het gaat om rechtmatig handelen moet ik denken aan Chesterton die ergens iets schrijft als: ‘voor je een hek verwijdert die midden op de weg staat, is het goed te bedenken waarom het daar in de eerste plaats is neergezet.’ Het enkele feit dat iets in de weg staat (een wet of regel) is op zichzelf nog niet genoeg om deze dan maar over boord te gooien.

Soms is het rationeel en te rechtvaardigen om de wet te overtreden. Denk je bijvoorbeeld eens in dat je een hoogzwangere vrouw in de auto hebt, die op het punt staat te bevallen. Het kan dan best zijn dat je onderweg naar het ziekenhuis te hard of door rood rijdt. Ook al krijg je er misschien wat boetes voor. Als je maar goed oplet kan dit best relatief veilig, en voorzien de gestelde wetten in een dergelijk geval onvoldoende.

Nu lijkt het er in de ambtelijke praktijk echter soms op dat je gevraagd wordt om te hard- en door rood te rijden, terwijl je niet (zeker) weet of de vrouw in de auto wel hoogzwanger is (of met spoed naar het ziekenhuis moet). Is het dan nog steeds te rechtvaardigen de wet te overtreden en je met verhoogd risico door het verkeer te begeven?

Dat lijkt mij niet. De wet is er tenslotte niet voor niets. Die is er om gevaren en risico’s te vermijden. Om het welzijn van het grotere geheel te plaatsen boven dat van het individuele geval. Om rechtsongelijkheid en corrumperende macht in de hand te houden. En dat in balans met het vorige blog; als de rechtmatigheid in verhouding staat tot – en leidt naar – rechtvaardigheid. Ik wil hier toch Hanna Arendt nog eens parafraseren: ‘Het grootste kwaad is banaal; het is de ambtenaar die gezagsgetrouw zijn werk doet’.

Tijdens het aangeven van een worsteling met een dergelijk moreel dilemma kreeg ik een relativering mee: ‘jouw geval valt heel erg mee; we hebben veel gekker meegemaakt’. Inderdaad kreeg ik voorbeelden te horen die mijn oren deden klapperen. Nooit geweten dat op bestuurlijk niveau, geldende regels zo met voeten getreden zouden kunnen worden.

Maar relativeert dit nu ook daadwerkelijk een moreel dilemma? Iets wat niet goed is blijft tenslotte niet goed, hoe klein of groot de gevolgen ook zijn. Het ‘relativeren’ maakt het eigenlijk alleen maar indringender. Het leidt van kwaad tot erger. Daar moeten we juist niet in meegaan; hoe klein of pathetisch een dillema misschien ook lijkt.

Het kan helpen om van de eigen plaatselijke situatie te extrapoleren naar een meta niveau. Om eens met een ‘helicopter view’ van boven naar beneden te kijken. Zo valt wellicht te constateren dat de inzet van publieke gelden niet altijd ten goede komen aan de gestelde doelen, of er rechtsongelijkheid ontstaat binnen andere onderdelen. Komt de noodzaak tot gevraagde inzet of gelden daadwerkelijk ten behoeve van de maatschappij, of komt het neer op het in stand houden van bestaande structuren en organisaties?

Ook hier wil ik afsluiten als in het eerdere blog: laten we ons er niet gemakkelijk vanaf maken, onbekommerd meedrijven in de stroom, maar de vraag blijven stellen ‘is wat ik doe het juiste‘.